Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen

woensdag 28 mei 2008

Buurman

Afgelopen winter; een geparkeerde auto bij mijn huis om de hoek, in de avondschemering. Ik loop erlangs, volle boodschappentas in de hand. Een raampje staat halfopen, het leeslampje verlicht de twee mannen. Ze zitten samengemoffeld, armen om elkaar. Broederlijke omhelzing? Nee, ze zoenen. Houden er gauw mee op als ze me zien kijken. De man die aan mijn kant zit kijkt terug. Schaapachtig, betrapt. Zwarte haren, donkere blik, een pokdalig, doodvermoeid gezicht. Dan: een flits van spierwit op het hoofd van de ander. Een schilderspetje, dat ken ik toch? Dat is mijn buurman! Mijn Pakistaanse buurman, de huisschilder die zijn platte Amsterdams ’s ochtends vroeg over straat schreeuwt, een vrouw uit het moederland thuis met twee kleine kinderen en een inwonende schoonmoeder die ze niet allemaal op een rijtje heeft.
De volgende dag zitten ze er weer, zo tegen half zes. Weer nét zo ver om de hoek dat de auto vanuit buurman’s huis niet te zien is. Ik weet dat zij het zijn, ook al is het leeslampje deze keer uit. Twee donkere mannen, niet meer dan schimmen. Condens rolt langs de ruiten. Ik loop voorbij.
De dag daarop, half zes. Op weg naar de supermarkt zie ik ze al zitten en als ik terugkom zijn ze er nog steeds. Hebben ze samen gewerkt? Waar woont die ander? Het leeslampje is weer aan. Buurman zit te bellen in rap hindoestaans. De ander wacht. Hij kijkt uit het raam maar ziet me niet.
Wat later moet ik weer de deur uit. Buurman komt net de hoek om, sigaret in de hand. Klein en gedrongen, op scherp, een kwaaie stier. Zijn werkpak is hagelwit. In het bijna-donker naar zijn huis lopend geeft hij haast licht. We lopen elkaar tegemoet. Doorgaans groeten we, maar vandaag niet. Verbeten naar de grond kijkend passeert hij me, ogen onzichtbaar achter de klep van zijn pet. Zijn frustratie landt op de stoep bij mijn voeten, een dikke klodder spuug.

zondag 13 januari 2008

De pannenkoekenboot

Als de pont eenmaal vaart wil hij binnen zitten, bij me op schoot. Ik hou hem iets te stevig vast, druk mijn wang tegen de korte stekeltjes op zijn kruin. ‘Sorry, Jochem. Het spijt me heel erg,’ zeg ik vlak bij zijn donzige oor. Mijn stem kraakt van schaamte en opluchting.
‘Maar jíj hoeft toch geen sorry te zeggen?’
En óf ik dat moet. Ik sluit mijn ogen en probeer de opkomende misselijkheid te onderdrukken. Was ik twee seconden later gekomen, dan was ik hem kwijt geweest. Mijn neefje van zes uit Brabant, voor het eerst alleen op bezoek in Amsterdam.
Het tochtje met de pannenkoekenboot was maar een matig succes gebleken. Die van papa zijn lekkerder, zei hij. De zijne, volgeladen met smarties en hagelslag, had hij na een paar happen laten liggen. Met een enthousiaste plons was hij in de ballenbak in het ruim gedoken. Toen we weer aanmeerden bij de NDSM-werf lag de pont naar CS al aan de steiger naast ons. ‘Doe gauw je jas aan,’ zei ik, ‘dan halen we hem nog net’.
‘Ik heb mijn handschoenen op de boot laten liggen!’ riep Jochem verschrikt toen we even later de pont op liepen. Ik pakte zijn hand en nam hem weer mee de wal op. ‘Hier even blijven staan. Ik ben zo terug.’ Ik moest me langs wat mensen wringen die de pannenkoekenboot op wilden voor de volgende tocht, maar al met al duurde het niet meer dan twee minuten voor ik weer terug was waar ik het kind had achtergelaten. Hij stond er niet meer. Ik keek om me heen maar de kade was donker en leeg. De pont begon te ronken, op het punt om weg te varen.
Opeens zag ik hem, midden op het helverlichte voordek. Een man en een vrouw stonden over hem heen gebogen. Een klein blond jongetje met een grijze muts en een grijze sjaal en grote grijze paniekogen. Hij keek in mijn richting maar ik geloof niet dat hij me zag. Hij huilde.
Ik zwaaide met mijn armen terwijl ik over de kade rende. Die paar meter strekten zich uit als tien voetbalvelden. Wacht! Niet wegvaren! Ik weet niet of ik het schreeuwde of prevelde.
Precies op het moment dat de loopplank loskwam sprong ik erop. Gered! Ik knielde bij Jochem neer en sloeg mijn armen om hem heen. Hij stopte onmiddellijk met huilen. Ik voelde de afkeurende blikken van de andere passagiers in mijn achterhoofd prikken. Slechte, slechte moeder, hoorde ik ze denken.
‘Kijk, ik heb ze gevonden,’ zei ik, nog buiten adem. ‘Alles is weer goed gekomen.’ Terwijl de pont zich in beweging zette, keek ik toe hoe hij zijn koude vingertjes een voor een in zijn grijze handschoenen wurmde.

donderdag 6 december 2007

Handstand

In eerste instantie ziet hij niets dan hersensplijtend wit licht. Het duurt zeker een minuut voor die sneeuwblindheid optrekt en dan nog kan hij nauwelijks contouren ontwaren. Hij is in zijn eigen slaapkamer, zoveel is zeker. Dat overrompelende wit verwelkomt hem iedere ochtend. Hij heeft er een bloedhekel aan.
‘Levend wit’ stond er op de blikken en Reina had het gevreten, natuurlijk. ‘Napels wit, die doen we. Dat klinkt zo romantisch.’ En bij de muren was het niet gebleven. Alles moest wit, de kast, het bed, het beddengoed. Christus nog aan toe. Een vrieskist is nog romantischer.
De gordijnen zijn nog open. Zonlicht valt in messcherpe lijnen op de muur tegenover het bed. Hij kan er niet naar kijken zonder voortdurend met zijn ogen te knipperen, ook al krassen zijn oogleden als schuurpapier over zijn netvlies. Als hij zijn blik de andere kant op stuurt, voorzichtig omdat het bij iedere beweging steekt en gonst in zijn kop, trekt er iets aan zijn ooghoek. Iets roods dat hier niet thuishoort. Op de deur zit een grote veeg van dat iets. Het steekt af als een eskimo tegen de noordpool. Hij kan er niks van maken, weet alleen dat dat rood er gisterenavond, toen hij zich hier stond te verkleden om naar de kroeg te gaan, nog niet zat.
Waar is zijn bril? Zonder zijn hoofd al te veel te bewegen trekt hij zijn rechterarm langzaam onder de dekens vandaan en laat hem vleugellam op het nachtkastje zakken. Terwijl zijn vingers vruchteloos graaien, voelt hij dat dat kleine beetje beweging al te veel van het goeie is. Vanuit zijn tenen zwalkt de zeeziekte door zijn aders omhoog naar zijn strot. Halverwege gaat zijn maag meedoen. Het zuur slaat in gloeiende vlammen op in zijn keel en verbrandt zijn huig. Hij proeft er de bittere afdronk van het bier doorheen. Het bier, de jenever, de bitterballen godbetert, trekken denderend over zijn smaakpapillen. Een glas water, denkt hij, dat zou toch wel een geschenk uit de hemel zijn.
Waar is die verrekte bril nou? Nog eens graait hij, tevergeefs. Die rode vlek blijft hem dwarszitten. Wat kan het zijn? Bloed? Maar van wie dan? Is het van hem? Heeft hij zich misschien ergens gesneden? Zijn handen? Hij voelt nergens pijn, nou ja, afgezien van die fanfare in zijn kop dan en het branden in zijn keel. Geen pijn van glasscherven, zogezegd. Met moeite haalt hij zijn andere arm tevoorschijn. Meteen springt kippenvel op de blote huid. Hij houdt beide handen vlak voor zijn gezicht en tuurt er een hele tijd ingespannen naar terwijl hij ze langzaam ronddraait. Niks te zien. Ook niet hogerop op zijn armen. Hij krabt aan zijn mond. Er zit daar iets hards, een korst van het een of ander. Overgeefsel, waarschijnlijk, want nu hij ze zo voor zijn neus langs haalt ruikt hij ook het zuur aan zijn handen. De walm ervan is opeens zo doordringend dat hij er bijna weer van gaat kokhalzen. Zijn vingers glijden langs zijn hals, tasten door zijn borsthaar. Gelukkig, hij heeft zich niet ondergekotst. De stank komt van net iets verder weg, ergens in de buurt van het nachtkastje. Met een uiterste krachtsinspanning tilt hij zijn linkerschouder op en helt naar rechts. Werpsterren stuiteren door zijn hersenpan. Even knijpt hij zijn ogen dicht tegen de felle pijn, terwijl de lucht van braaksel nu onstuitbaar zijn neusgaten binnendringt. Wat voor een God is het die het wel een goed idee vond dat je maag zoiets goddelijks als jenever in zulke giftige dampen verandert? Hij buigt nog een stukje verder voorover en dwingt zichzelf om over de rand van het bed te kijken. Dat zal hem leren.
Daar ligt zijn bril, middenin een plas goudgele kots.
Godallejezus wat een ellende. Was hij hier niet te oud voor? En hoe krijgt hij dat ding uit die plas vergif? Zonder bril begint hij niks. Kom op nou, geen mietje zijn. Gewoon oppakken dat ding. Afpoetsen, aan de lakens dan maar, die hebben na vannacht toch hun beste tijd gehad. Afpoetsen en opzetten. Naar de deur lopen, kijken of het inderdaad bloed is, die vlek die daar zit. En zo ja, de rest van zijn lijf onderzoeken op sneeën en andere verwondingen. Drank verdooft, straks zit er ergens een verdwaalde scherf van een bierglas of zo. Misschien moet het wel gehecht, je weet het niet.
De ene poot van zijn bril steekt als de arm van een drenkeling omhoog. Daaraan kan hij hem ophengelen. Om erbij te kunnen helt hij nog wat verder opzij, een schip dat slagzij maakt.
Au verdomme! Een dolkstoot in zijn onderrug. Tering, wat doet dat zeer. Hij was vergeten hoe erg het was. Die hernia waar hij had gedacht vanaf te zijn. Die is duidelijk terug van weggeweest. Opeens flitst er een haarscherp beeld door zijn hoofd, een flard van gisterenavond. Schoenen. Een heleboel schoenen. Goedkope sportschoenen, motorlaarzen, legerkistjes. Met spijkerbroekblauwe benen eraan die verkeerd om lijken te zitten. Hij zal toch niet echt... gisterenavond in de kroeg, toen ze hem net iets te lang hadden uitgedaagd?
De laatste keer dat ie dat gedaan heeft zal op de lagere school zijn geweest. Maar ze hadden ‘m lopen sarren, z’n maten, de klojo’s. Nu weet hij het weer, hij wordt er weer kwaad van. Ze hadden hem keihard uitgelachen, nadat hij de keu uit z’n handen had laten vallen en op z’n knieën had gemoeten om ’m weer op te rapen. Gezegd dat ie een ouwe lul aan het worden was, een stijve hark. Dat ie zijn eigen keu zeker ook niet meer omhoog kreeg. Hoe sneu dat was voor die arme Reina.
‘Wie is hier een ouwe lul?’ had hij gebruld, woest met zijn armen zwaaiend terwijl het bier uit zijn glas klotste. ‘Als ik wil, ga ik hier ter plekke op m’n kop staan.’ En hij had meteen de daad bij het woord gevoegd. Zijn bier had hij met een resolute klap op de rand van het biljart gezet. Daarna was hij voorovergebogen en had hij zijn handpalmen stevig op de met blauw krijt bestoven vloer gepoot. Toen de basis hem stevig genoeg leek, had hij zijn benen gelanceerd alsof hij een hoogspringrecord wilde verbeteren, en de keu’s uit het rek aan de wand waren als mikadohoutjes op het parket gekletterd. De spieren in zijn nek hadden getrild alsof hij aan het gewichtheffen was en zijn overhemd was deels over zijn gezicht gezakt, dus veel meer dan hun schoenen had hij niet kunnen zien, maar het gejoel van de omstanders had als oorverdovende muziek in zijn oren geklonken. Zijn ruim over zijn broekriem hangende buik had weliswaar alsmaar gedreigd hem uit balans te trekken, maar op zijn kop gestaan had hij. Dat deden die klojo’s hem niet na. Hij, Karel Dolderop, was nog lang niet afgeschreven.
Nu hij erover nadenkt, die buik zit hem dwars. Letterlijk. Die was er vroeger niet. Als prille puber heeft hij die omgekeerde wereld vol schoenen en tafelpoten en pluisjes stof vaak opgezocht. Heerlijk vond hij het, al het bloed naar je kop en na een minuutje of twee een zwaarte achter je wenkbrauwen die je het denken belette. Wat zal hij geweest zijn? Elf? Twaalf? Een mager joch, watervlug. Draaide radslagen en ging op z’n handen staan of het niks was. En niemand hoefde hem er ooit toe uit te dagen. Hij deed het gewoon uit zichzelf. Omdat het zo lekker was om je lijf te voelen werken. Dat het precies deed wat je wou. En ook omdat ze hem dan eventjes allemaal met rust lieten. Voor een handstand had je immers concentratie nodig, dat wist iedereen.
Hij wordt uit zijn mijmering opgeschrikt door de klap waarmee de voordeur in het slot valt. Paniek vermengd met ergernis jaagt door zijn lijf. Verdomme, het zal toch niet? Zondagavond, had ze gezegd. Dat ze het hele weekend weg zou zijn. ‘Pa zit zo zielig alleen, hij heeft gewoon wat meer aandacht nodig nu met die kanker. Zondagavond ben ik er weer, om een uurtje of elf. Niet alvast naar bed gaan, hoor. Dan drinken we samen nog een lekker glaasje. Gezellig.’
Er klinken driftige voetstappen in de gang, ze komen in de richting van de slaapkamer. Hij voelt zich opeens weer die schooljongen die op het punt staat een uitbrander te krijgen. Vlug laat hij zich plat op zijn rug vallen. De dekens trekt hij op tot aan zijn neus. De rode veeg beweegt, de kier van de deur wordt wijder. Met tot spleetjes geknepen ogen ontwaart hij de vage omtrekken van zijn vrouw.
‘Grote god, Karel, wat is hier in vredesnaam gebeurd?’
Zonder bril kan hij de uitdrukking op haar gezicht niet zien, maar haar toon zegt genoeg. Hier redt hij zich niet uit met een handstand. Na gisteren lukt hem dat sowieso niet meer. Misschien wel nooit meer. Hier rest hem alleen nog de nederigheid van een oude man, die niks meer te willen heeft omdat ie niks meer kan.
‘Dag schat, hoe was het met je vader?’

vrijdag 13 juli 2007

Toeristen, terroristen

Wells, Engeland, zomer 2006.
Overal waar ik op deze reis kom, aarzel ik om mijn spullen achter te laten. Altijd hangt er wel een onheilspellend bordje met ‘Thieves operate in this area’, of iets van die strekking. Ook hier in Wells, een braaf Engels stadje dat zijn middeleeuwse ambities om uit te groeien tot metropool nooit heeft waargemaakt.
Het interieur van de beroemde kathedraal had ik bijna moeten missen. Dankzij drie lieve dames heb ik daarstraks toch binnen een kijkje kunnen nemen. Het ‘incident’ waarvan zij getuige waren, illustreert maar weer eens hoe doodsbenauwd dit land is sinds de terroristische aanslagen in Londen van een paar maanden geleden.
Mijn fiets had ik bij aankomst tegen de muur van de kathedraal geparkeerd, alle bagage er nog op. Ik kon immers moeilijk al slepend met fietstassen mijn toeristische rondgang door het heiligdom doen. Maar toen ik opkeek en weer zo’n onvermijdelijk bordje zag, aarzelde ik toch weer. Was het wel veilig? De ‘thieves’ konden mijn nieuwe regenbroek wel jatten, of erger, mijn zadel.
Op dat moment zag ik de dames; ze kwamen al pratend in de richting van het portaal waarin ik stond. Alle drie droegen een degelijke, zomerse bloemetjesjurk. Hun haar zat in stevig gelakte grijze krullen op hun hoofden. Ze bewogen zich doelgericht voort alsof ze hier thuishoorden. Ik besloot deze lokale experts om raad te vragen. Dames, wat denkt u? Kan ik mijn fiets met bagage hier laten staan terwijl ik de kathedraal bezichtig?
‘O nee, nooit doen!’ Hun reactie was ronduit geestdriftig. Ze waren ook niet van hier, mind you, maar van een bezoekend koor, dus de situatie hier kenden ze ook niet precies, maar wel dat alles wat je onbeheerd achterliet onherroepelijk gestolen werd. Vreselijk, maar waar. Bij een van hen was onlangs nog een handtas uit de auto verdwenen. Maar ze wilden best even op mijn fiets passen, dan kon ik in de kathedraal gaan vragen waar de stalling was.
De eerste guide die ik binnen tegenkwam – een strak in het pak zittende oudere heer – keurde me amper een blik waardig. Kennelijk beviel mijn aanblik – fietsbroek, blote benen en wilde haardos – hem niet. ‘Zoiets hebben wij niet. Ik kan u niet helpen.’ Hij zei het verbeten, alsof ik hem persoonlijk gegriefd had. Hij wendde zich al af, maar ik bleef hem volgen, ontevreden met zijn antwoord. Toen hij merkte dat ik niet vanzelf verdween, schuifelde hij naar een vrouwelijke collega, nauwelijks minder bejaard, en legde haar mijn probleem voor. Tot mijn verbazing kwam ze geagiteerd op me af en riep: ‘Geen sprake van! Die fiets mag zelfs niet tegen de muur leunen.’ O jee, ik was dus al in overtreding. Ik liep maar gauw weer naar buiten, waar mijn drie musketiers trouw op me stonden te wachten. De vrouwelijke guide kwam me als een terriër achterna. ‘Dit kán dus niet,’ riep ze zodra ze mijn fiets tegen haar kostbare kathedraal zag staan. De dames keken verbouwereerd.
‘Erg jammer, hoor,’ zei ik, mijn teleurstelling uitvergrotend, ‘dat een fietser hier nergens terecht kan. En ik kom nog wel helemaal uit Nederland.’
De dames schudden meelevend hun grijze hoofden, maar de guide was niet te vermurwen.
‘Bij jullie is het anders allemaal begonnen,’ sneerde ze.
‘Is wat begonnen?’informeerde ik, want ik had geen idee wat ze bedoelde.
‘Nou, dat met die…’
Ik veronderstelde dat we het nog steeds hadden over de gevaren van diefstal, dus ik hielp haar met: ‘U bedoelt drugsverslaafden?’ In de omgeving had ik inderdaad wat vage types zien rondscharrelen; alcoholisten waarschijnlijk. Die behoren in iedere Britse stad, hoe bescheiden ook, tot het straatmeubilair.
‘Nee! Die… die…’ Het duurde even voor ze het woord gevonden had. ‘Die terroristen.’ Ze spoog het uit.
Nu was ik degene die verbouwereerd keek. Bij ons begonnen? Het terrorisme? Had ik iets gemist?
‘Ik begrijp eerlijk gezegd niet wat u bedoelt,’ begon ik.
‘Bij jullie was die eerste aanslag op een trein.’
Ik dacht: aanslag? trein? Nu had ik weliswaar al anderhalve week geen krant gelezen, dus misschien was er in die periode iets voorgevallen dat ik had gemist, maar dan nog begreep ik haar niet. Het moslimterrorisme was toch al jaren terug begonnen? Ik zei: ‘Ik begrijp absoluut niet waar u het over hebt. Legt u alstublieft uit wat u bedoelt.’
‘Ach, het zal wel vóór jouw tijd geweest zijn. Dat ze bij jullie die trein hebben opgeblazen. Ik weet het niet meer precies.’
Bedoelde ze de treinkapingen van de jaren zeventig? De Molukkers? Ze kletst maar wat, realiseerde ik me opeens. Ze roept dingen als een kip zonder kop en beledigt daarbij ook nog eventjes mijn land. Met het fel oplaaiend vuur van patriottisme –­­ dat in mij doorgaans niet meer dan een zwak waakvlammetje is – zei ik dreigend: ‘Ik wil nu toch echt graag dat u uitlegt waar u het over hebt. Ik begin me behoorlijk beledigd te voelen.’ De koordames, die in een kringetje om ons heen stonden, keken verschrikt. O dear. Nu is de Hollandse dame boos.
De guide staarde me met grote ogen aan. Ik staarde uitdagend terug. Het begon kennelijk tot haar door te dringen dat ze zich in de nesten had gewerkt, want haar stem klonk maar half overtuigd toen ze ten slotte riep: ‘O, iets met Baader Meinhoff.’
Ha. Nu hing ze.
‘Mevrouw, die opereerden in Duitsland. Bovendien had dat niets, maar dan ook helemaal niets met het huidige moslimterrorisme van doen.’ Ik vond dat ik nog heel beheerst klonk. De dames knikten weer geestdriftig en maakten instemmende geluiden. De guide keek me met toegeknepen lippen aan, kennelijk met stomheid geslagen. Met genoegen zag ik dat haar bleke Engelse wangen opeens een gezonde blos vertoonden.
‘Weet je wat, dear,’ richtte de kleinste en rondste koordame zich tot mij, ‘wij zijn hier nog de hele dag en hoeven pas om half vijf te zingen. Het is heerlijk weer. Ik ga op dat bankje daar zitten, lekker in het zonnetje. Als jij je fiets daar nou naast zet, dan zal ík er graag op passen.’
Ik lachte haar dankbaar toe. Dat was nog eens aardig. De twee andere dames keken opgelucht. Zij wilden ook wel helpen oppassen.
‘Ga maar rustig alles bekijken, neem de tijd.’
‘Ik zing trouwens ook,’ deelde ik mee, om de band tussen ons nog wat aan te halen.
‘Dear, wat leuk. Ben je sopraan? Mezzo? Alt?’
We bewogen al babbelend in de richting van het bankje in de zon.
Nog één keer keek ik over mijn schouder. De guide was nergens meer te bekennen. Stilletjes afgedropen, als een dief in de nacht.

Romantisch

Het is een grijze zaterdagochtend in oktober. Als ik even op de fiets de stad in ga voor wat boodschappen, realiseer ik me al na een paar honderd meter dat ik te dun gekleed ben. Het is ronduit guur buiten en de wind waait dwars door mijn nylonjasje heen. Boven mijn hoofd hangen hoogzwangere wolken.
Pets! Een dikke regendruppel slaat koud op mijn wang. En nog een, en weer. Gelukkig, ik ben bijna bij de metro-ingang op het Weesperplein. Overwegend of ik daar alleen even zal schuilen of met de metro verder zal gaan, spring ik van mijn fiets en zet hem tegen de brugleuning. Terwijl ik met het fietsslot in de weer ben, hoor ik met zachte stem iemand roepen.
‘Meisje… meisje…’
Ik kijk om me heen, maar zie niemand. Dan hoor ik weer de lichte, hoge stem.
‘Méisje, hállo…’
Het geluid komt van de waterkant beneden. Ik tuur over de brugleuning. Daar, in een bootje dat in een hoek onder de brug ligt aangemeerd, staat een wat slungelige jongen van een jaar of twintig. Hij sjort aan een blauw zeil dat over de boot gespannen zit en kijkt ondertussen omhoog in mijn richting.
Riep hij mij? Ben ik dat ‘meisje’? Als hij ziet dat ik terugkijk, glimlacht hij naar me.
‘Meisje, mag ik jou om advies vragen?’
Ha, die snotneus noemt me meisje. Een meisje van bijna veertig, knaap, kijk uit je doppen, schamper ik in mezelf, maar stiekem toch gevleid.
‘Ja hoor,’ antwoord ik en leun wat verder over de brugleuning om hem beter te kunnen horen.
‘Wat denk jij, houden we het droog vandaag?’
Hallo, voel je die druppels niet? En al die donkere wolken… ben je blind of zo?
‘Nou, ha, ik denk het niet, nee.’
Even is het stil. Hij kijkt moeilijk, alsof ik hem met mijn weersvoorspelling van de regen in de drup heb geholpen.
‘Het zit namelijk zo, ik ga straks een vriend van me ophalen. Die vriend heeft heel erge ruzie met zijn vriendin en nu wil hij het goedmaken met een boottochtje. Lijkt jou dat een goed idee?’ Zijn vingers plukken aan het zeil.
‘Tja, als het gaat gieten niet, lijkt me.’
‘Nee, dat is waar.’ Het komt er beteuterd uit. Zijn schouders hangen.
‘Maar als hij dan eens samen met haar onder dat zeil gaat zitten... Dat is best romantisch,’ zeg ik vlug.
Hij veert op. ‘Ja, dát is een goed idee. Dank je wel.’
‘Graag gedaan. En succes ermee.’
‘Ja, heel erg bedankt hoor.’
We zwaaien naar elkaar.
‘Daag.’
‘Daag.’
Het is opgehouden met regenen. Misschien houden hij en zijn vriendinnetje het droog. Ik hoop het voor ze. Al zou een fikse bui ook kunnen helpen. Best romantisch.

Witjes

Toen ik vanochtend vanuit de Ruyschstraat de brug over de Amstel op fietste, viel er schuin vóór me opeens een witte bal uit de lucht. Hij landde met een klap op het asfalt, tussen de tramrails. Er warrelden snippers wit uit op. Het duurde een paar milliseconden voor ik besefte dat die snippers donsveertjes waren. Daar, midden op de brug, zat plompverloren een zwaan. Automobilisten trapten hard op de rem, ik sprong van mijn fiets en zag anderen hetzelfde doen. Al het verkeer kwam piepend tot stilstand. Een oorverdovende stilte daalde neer over de brug. Het was of iedereen zijn adem inhield. Alle ogen waren gericht op de gevallen engel.
Een paar lange seconden verroerde de zwaan zich niet. Was hij dood? Gewond? Zou hij nog één keer een schitterend, onaards gezang laten horen, zoals zwanen in balletten en sprookjes plegen te doen, en dan het loodje leggen? Nee, gelukkig, hij bewoog nog. Het dier krabbelde wankelend overeind, maar kwam niet van zijn plek. Nog versuft van de klap zat hij voor zich uit te staren. Hij leek zich af te vragen welke godenhand zijn lome vlucht zo abrupt had afgestopt en hem hardhandig uit de lucht geschept.
Geen wonder dat zwanen zo veelvuldig in de mythologie figureren. Het zijn vreemde vogels eigenlijk. Hun verschijning is sprookjesachtig met dat spierwitte verenpak, die sierlijke, langgerekte hals. Hun achter een zwart masker schuilgaande kraalogen zijn ongrijpbaar en afstandelijk. Als er dan plotseling zo’n mythisch beest voor je neus uit de lucht valt, ben je al gauw geneigd om aan die gebeurtenis een bovenaardse lading toe te kennen.
De betovering dreigde in drama te ontaarden toen vanaf de Ceintuurbaan een tram denderend de brug op spoorde. De zwaan stond nog altijd te suffen tussen de rails. Er moest snel iets gebeuren, of het dier zou zijn botsing met de bovenleiding alsnog met de dood bekopen.
En toen opeens was daar die man. Een grote, uit de kluiten gewassen kerel met een ruige, kale kop en een brede stierennek. Een soort moderne Zeus. Hij was de enige op die hele brug die in beweging kwam. Wapperend met zijn kolenschoppen van handen liep hij naar de zwaan toe om hem tot bewegen te manen, de weg af, naar de brugleuning. Het dier begon traag te waggelen, maar niet naar de kant. Het koerste recht op de tram af. De man zag het en aarzelde geen moment. Hij boog voorover, armen gespreid, omhelsde de zwaan stevig maar toch ook met een zekere tederheid en tilde hem voorzichtig op. Het beest zag er reusachtig uit in Zeus’ armen en je kon aan de opzwellende aderen in ’s mans hals zien dat het gewicht ervan hem tegenviel. De kop van de zwaan torende boven het kale hoofd van zijn redder uit en deinde zachtjes mee op zijn bewegingen. De oranje poten staken potsierlijk uit het donzen onderlijf. Het dier sputterde niet tegen. Het was of het vanaf deze hoogte voor het eerst sinds het was neergestort weer een beetje overzicht kreeg, ons allemaal met majesteitelijke kalmte gadesloeg. De man verstevigde zijn greep nog eens, zoals je een kleuter op je arm herpakt, liep met zijn vracht naar de bakstenen reling en wierp hem er met een zwaai overheen.
Applaus hing in de lucht, al was er niemand die klapte. Langzaam zette het verkeer zich weer in beweging. De man was al verdwenen. Van waar ik stond had ik niet kunnen zien hoe het dier was geland. Pas toen ik even later vanaf de andere kant van de rivier over het water keek zag ik de zwaan weer. Ongedeerd dobberde hij daar, in gezelschap van een soortgenoot. Het was ze op een vreemde manier aan te zien dat ze nog behoorlijk waren aangeslagen. Het valt moeilijk uit te leggen. Hoe ziet een zwaan eruit die zojuist door Zeus is aangeraakt? Ik heb er maar één woord voor: witjes. Heel witjes.

Achterbank


Oma geeft als altijd koetjesrepen mee, voor de thuisreis. De weeë smaak ervan en het zoemen van de motor maken me slaperig, maar ik hou mijn ogen wijdopen. Tegen de tijd dat we ons dorp binnenrijden veins ik diepe slaap, maar mijn zintuigen staan op scherp. Ik hoef niet uit het raam te kijken om te weten dat we er zijn. Met mijn ogen dicht registreer ik de scherpe draai naar links, het vertrouwde gevoel van de autobanden die abrupt op de schuine stoeprand van onze inrit botsen. We schommelen wat na en staan stil. De motor blijft draaien. Het portier gaat open en koele nachtlucht vult de auto. Mama stapt uit: ik hoor haar voetstappen en na een paar tellen het stroeve, metalige geluid van de garagedeur. Papa wacht achter het stuur. Ik hou mijn adem in. Door mijn wimpers zie ik de gloeiende punt van zijn sigaret oranje oplichten in het donker. Hij rijdt de auto naar binnen, drukt de peuk uit in de asbak en stapt uit.
Dit is het moment waar ik naar heb uitgekeken. Het allerbelangrijkste is nu, dat ik mijn ogen stijf dicht hou en geduldig afwacht, zonder een vin te verroeren. Ik slaap, papa. Zul je me geloven?
Daar wordt de stoel voor me al opgeklapt, ik ruik zijn geur als hij zich over me heen buigt en zijn armen om me heen slaat. Het lukt, het lukt! Ik word van de achterbank getild en, alsof ik iets heel kostbaars ben, voorzichtig de auto uit gedragen.
Ergens achter ons hoor ik mama vragen: “Ben je wakker?” Ze heeft het tegen mij, maar ik antwoord niet. Als je slaapt hoor je natuurlijk ook niks. Ze lacht schamper en zegt iets tegen papa dat ik niet versta. Hij bromt goedmoedig, ik voel zijn stem trillen in zijn borst. De buitenlucht strijkt als een koude hand over mijn wang en maakt me klaarwakker. Ik kan best mijn ogen opendoen, geluid maken, zelf lopen, maar ik zwijg en hou me slap. Veel liever lig ik warm in papa’s armen, in zijn geur van tabak en ijzer.

Gepubliceerd in het themanummer Geluk & Verdriet van Opzij, nr. 7/8 juli/augustus 2007, p. 30.