maandag 10 september 2007

Airco city

De indian summer die de maand september aan de Amerikaanse oostkust doorgaans aangenaam warm maakt, is dit jaar nogal heet uitgevallen. Het is al een paar dagen zeker 28 graden en zo vochtig dat je buiten bij de minste inspanning het zweet in straaltjes over je rug voelt lopen. Alleen buiten, want in vrijwel alle gebouwen draait de airco op volle toeren. Een dagje winkelen wordt zo een permanente afwisseling tussen sauna en afkoelslang. En in het American Museum of Natural History wens je al gauw dat je een trui had meegenomen.
Hier in huis kon ik kiezen tussen een enorme Cyclone fan en een GoldStar airco. Ik ben er al achter dat de airco het beste resultaat geeft, al maakt ie een ontzettende takkeherrie. Daarom zet ik 's nachts de airco uit en de fan aan, op de laagste stand. Met oordoppen in is dat net te doen.
'New Yorkers kunnen niet zonder hun airco,' zei Caroline toen ze me hielp de GoldStar in de raamopening te zetten. En inderdaad, je ziet ze werkelijk overal als puisten uit de ramen van gebouwen steken. Zoals hier, aan de rand van Central Park.

Rollerdisco in Central Park





zondag 9 september 2007

Een typisch New Yorkse scène

Er is een mysterieuze lekkage in Jeanne’s huis, hoewel de leidingen onlangs nog gerepareerd zijn. De helft van de woonkamer, waaronder het bed, zit in plastic verpakt. Bij mijn aankomst gisteren werd ik verwelkomd door Caroline en Blake, vrienden van Jeanne. Ze hebben huisbaas Emilio erbij geroepen, die in alle staten is en de hele tijd roept: ‘I so sarry, I apologise’. Hij woont al 37 jaar in New York, maar spreekt nog altijd niet echt verstaanbaar Engels. Wel vloeiend Spaans, hoorde ik, toen een Mexicaan die bij hem in de keuken werkt hem kwam helpen het lek te stelpen. Emilio klom op een wankel laddertje en stak een paar stukken neerhangende kalk los. Hij veegde alles netjes op en spreidde daarna een paar witte tafellakens uit zijn restaurant uit op de vloer. De zin daarvan ontging me maar er lag plastic onder dus ik liet het maar zo. Blake had het al gezegd: ‘Je bent meteen al in een typisch New Yorkse scène beland.’

Ik maakte gisteren op straat een praatje met Emilio en hij vertelde me toen dat hij op 9/11 zijn zoon verloren heeft in het WTC. Sindsdien wil hij eigenlijk het liefste terug naar Italië.
Bij terugkomst van mijn eerste blokje om had het weer gelekt, maar toen Emilio vervolgens alle kranen bij de bovenburen stuk voor stuk openzette om erachter te komen wat het lek veroorzaakte, kwam er eigenaardig genoeg geen druppel naar beneden. Hij liep hoofdschuddend rond en zei wel een keer of drie: ‘Is no funny, I go crazy.’ Ik beloofde hem te zullen roepen zodra het weer ging lekken.
Om acht uur lekte het schuimwater. Emilio was druk bezig pizza’s te bakken maar kwam toch kijken. Er kwamen weer flink wat Italiaanse krachttermen aan te pas en net als eerder veegde hij onder het gemompel van veel mamma mia’s de kalkklodders bij elkaar. De loodgieter die de vorige reparatie heeft uitgevoerd is de stad uit en komt pas maandag terug. Toen ik vroeg waarom er geen andere kon worden gebeld hield Emilio een heel verhaal waar ik vrijwel niets van verstond.
Tegen tien uur, ik lag doodmoe van de jetlag al te slapen op de bank (het bed zit in plastic verpakt), begon het plafond opeens weer heftig te druppelen. Er kwamen klodders kalk mee en de twee gaten die eerder waren ontstaan werden nog groter. Het hield maar niet op, iemand was kennelijk lekker uitgebreid aan het douchen. Ik rende weer naar beneden maar de pizzeria was al gesloten. Van de bovenburen deed er maar een open, een dikke zwarte vrouw die meteen in de verdediging schoot: ‘Ik heb het niet gedaan, ik zat tv te kijken.’
Vanmiddag heeft Caroline me geholpen de televisie en de boekenkast te verplaatsen naar veiliger plekken. Het scheelt in elk geval in mijn gemoedsrust. En nu maar hopen dat de loodgieter maandag daadwerkelijk komt en het mysterieuze lek weet op te sporen. De Mexicaan, die naar eigen zeggen al 22 jaar voor Emilio werkt, kwam vanochtend even kijken. Volgens hem is Emilio wel van goede wil, maar is de lekkage een structureel probleem. De huizen hier zijn oud, zei hij, de leiding is niet op één plek stuk, het hele zaakje is versleten en eigenlijk is het gebouw dringend aan renovatie toe. Ik hoop er maar het beste van. Vandaag bleef het gelukkig droog.

Polen in Greenpoint

De douanebeambte op JFK heette me pas hartelijk welkom in de Verenigde Staten nadat hij m’n vingerafdrukken en foto had genomen en me had uitgevraagd over wat mijn beroep was, wat ik kwam doen, waar dan en met wie. Mijn rugzak lag gelukkig al vooraan te dringen op de bagageband, er werd nog met een half oog naar gekeken door een andere douanebeambte en toen kon ik gaan, de wijde Amerikaanse wereld in. Tien stappen buiten de controlezone werd ik flux door iemand die daarvoor betaald krijgt naar een eigele taxi gedirigeerd. Ik had amper tegen de chauffeur verzucht hoe warm het hier wel niet was of hup, daar gingen alle ramen open en moest ik me vasthouden om niet weg te waaien terwijl hij op topsnelheid de highway op koerste. Halverwege de dodemansrit lag daar opeens in de verte het bekende silhouet van Manhattan, een veelvormige reeks hoge pijlers in een verder laag landschap. Wow, ik ben er echt!
Voor veertig dollar was ik in no time op mijn bestemming, hoek Manhattan Ave en Greenpoint Ave, Brooklyn, NY. De bruine deur naar Jeanne’s appartement, naast het even bruine Italiaanse restaurant van haar huisbaas Emilio, was niet moeilijk te vinden. M’n buren in het donkerbruine trappenhuis blijken twee tandartsen te zijn, ‘Dr. R. Sterinbach’ en ‘Dr. Boris Magid’. Als ik kiespijn krijg zit ik dus goed.

Greenpoint is van oudsher een Poolse buurt en dat merk je nog aan alles. Aan de overkant staat een mooie Poolse katholieke kerk van rode en witte baksteen. In het supermarktje hier beneden verkopen twee chagrijnige Poolse meisjes Poolse producten (rode borsjt). De jongen van de elektronicazaak waar ik vanmiddag een stekkertje voor mijn laptop kocht vroeg met een dik Slavisch accent of ik uit Duitsland kwam. 'You have a German accent,' hield hij vol, ook toen ik zei dat ik uit Nederland kwam. 'And you are from Poland,' zei ik, waarop hij knikte maar wel met een gezicht alsof ik hem beledigd had. Hij is nu tenslotte toch Amerikaan?

zondag 19 augustus 2007

Vechten of vluchten

Woensdag was mijn eerste trainingsdag bij Stichting Valk in Leiden, die gespecialiseerd is in de behandeling van vliegangst. Ze doen daar niets anders dan mensen klaarstomen om voortaan zonder zweethanden de lucht in te durven. ’s Ochtends had een pilote van de KLM ons in lekenvergelijkingen alles uitgelegd over de techniek van het vliegen. ‘Een vliegtuig is net zoiets als een vis in een vissenkom. Overal om die vis heen is water.’ De middag had in het teken gestaan van wat dat nou eigenlijk is, angst. Je demonen tegemoet treden, ze zeker niet vermijden. En vooral rustig doorademen. Dat was de boodschap die mijn medecursisten en ik keer op keer te horen hadden gekregen. Morgen zouden we echt gaan vliegen, maar waar naartoe werd nog geheim gehouden, om te voorkomen dat we voor die specifieke bestemming alvast allerlei rampscenario’s gingen bedenken. De gedachte aan de komende vuurdoop veroorzaakte bij mij na vandaag weliswaar geen buikpijn meer, maar een lichte spanning voelde ik nog wel.
Een hele dag therapeutisch bezig zijn met het te lijf gaan van je angsten maakt ontzettend moe. Dat was ik dan ook, toen ik na terugkomst op het Amsterdamse Centraal Station de metro nam. Op het perron was het flink druk, met opvallend veel rood-wit. Zeker een voetbalwedstrijd in de Arena. Ik stapte in lijn 53, die op het punt stond om weg te rijden. Binnen stond een groepje naar zweet ruikende Ajax-supporters ingespannen op de kaart met metrolijnen te turen. Ze hadden net ontdekt dat de 53 niet langs de Arena rijdt, maar nu bleven ze toch maar staan. Dan maar overstappen op Spaklerweg, zei er een, een dikke blonde jongen in een rolstoel. Nog net op tijd sprongen een paar jongens van een jaar of achttien onze wagon binnen, Franse toeristen met grote bruine ogen en lange haren.
Zodra we een paar minuten later stilstonden op de halte Weesperplein, zag ik dat er iets niet in de haak was. Het perron stond volgepakt met mensen. Of liever, mannen. Kerels met grimmige koppen, in twee groepen die elkaar van een afstandje uitdaagden. Wel veertig aan elke kant. Ik zag hun handen wapperen, wenken. Kom maar op, kom dan. Je rook haast het testosteron. Het duurde niet meer dan seconden voor de uitnodiging wederzijds werd aangenomen. Ze stormden in volle vaart op elkaar af en begonnen in het wilde weg op elkaar in te beuken.
Het gevecht was nog maar amper losgebarsten, of de metrodeuren gingen open en zeker de helft van de vechtende kerels viel onze wagon binnen. Iemand begon met een ijzeren staaf de ruiten eruit te slaan. Woest geschreeuw, geluid van versplinterend glas. Paniek onder de passagiers, die zich in de hoeken drukten of op de grond doken tussen de banken, terwijl in het gangpad de voetbaloorlog woedde. Ik stond in een hoekje naast een deur aan de spoorkant, verscholen achter de Franse jongens, alle drie een kop groter dan ik. Ze stonden als een doodsbang muurtje om me heen, tegen me aan gedrukt. Ik voelde een been hevig trillen tegen het mijne.
Wham, daar ging weer een ruit, stukjes glas vlogen ons om de oren. Een grote, kale kerel trok aan de noodrem, beukte met zijn vuist een andere kaalkop midden in het gezicht en gaf hem een doodstrap na met zijn legerkistje. Bierflesjes werden dwars door de wagon gesmeten. Opeens gingen de deuren dicht en zette de metro zich in beweging. Er werd nog wat met getatoeëerde armen door de kapotte ruiten heen en weer gemaaid, maar toen we eindelijk de metrotunnel in reden bleek een flink deel van de hooligans op het perron te zijn achtergebleven. Een stuk of twintig waren er nog over in onze wagon en hun fanatisme werd er niet minder op. Een man bij wie het bloed in straaltjes over zijn gezicht liep, kwam gevaarlijk dicht onze kant uit. Iemand - een passagier? - waagde het zich te verweren toen hij een duw kreeg en de bebloede man roste hem voor onze verbijsterde neuzen in elkaar. Ik maakte me nog kleiner, hopend op onzichtbaarheid. De Franse jongen die zo had staan trillen begon nu zachtjes te jammeren. Ik zei ‘rustig maar, rustig maar’ en aaide hem over zijn schouder, maar hij leek het niet te merken. Met grote angstogen staarde hij om zich heen. De Ajax-supporters die tegelijk met mij waren ingestapt probeerden hun vriend in zijn rolstoel te beschermen toen er aan hun kant klappen vielen. De vrouw met het kindje op schoot die in de andere hoek had gezeten zag ik niet meer. Wanneer zou dit ophouden? Waarom kwam er geen politie, bewaking?
Het is maar een paar minuten tussen de haltes Weesperplein en Wibautstraat, waar ik eruit moet. Het perron is daar aan de kant waar ik me bevond. Nog voor de metro tot stilstand was gekomen, perste ik me achter de Fransen vandaan en begon aan de deuren te trekken. Ga open, verdomme, ga open. Eruit. Rennen. Op de automatische piloot draafde ik het perron af, naar de roltrappen, zonder om te kijken. Om me heen stormden anderen naar buiten. Twee huilende meisjes, struikelend aan de hand van hun vriendjes. Een man zeulend met een zware tas. Ik rende met twee treden tegelijk de trappen op. De controleurs keken naar ons met verbaasde niets-aan-de-hand-blikken. Jezus. Wist er dan niemand wat daar beneden loos was?
Pas buiten op straat stopte ik met rennen. Nergens een politieman te bekennen. Groepjes ontredderde mensen kwamen nog steeds uit de metro-ingangen gedruppeld. Ik stak de Wibautstraat over en ging de C1000 binnen. Boodschappen doen, ik moest toch eten? Terwijl ik afrekende hoorde ik op straat een sirene. Ambulance? Nee, politie. Het zou tijd worden.
Zodra ik thuis de deur achter me had dichtgeslagen begon het trillen. Niks diep blijven ademhalen, de angst tegemoet treden. Het ging helemaal vanzelf: opeens sprong de angst onstuitbaar uit mijn maag omhoog naar mijn keel. Iemand bellen nu. Snel m’n verhaal kwijt. Ik probeerde verschillende nummers maar niemand gaf thuis. Mijn wang begon te trekken, de paniek was nog maar net te bedwingen. Toen goddank bij de zoveelste poging eindelijk iemand opnam, barstte ik acuut in snikken uit.
De vreemde kalmte die ik in de metro ondanks alles had ervaren – alsof ik naar een enge film keek - was niet meer dan instinct geweest, een truc van de natuur om een mens die werkelijk in gevaar verkeert overeind te houden. Adrenaline die zorgt dat we vechten of vluchten. Voetbaloorlog in de metro: het was een bizarre reality check na een dag lang praten over ingebeelde gevaren.

Ajax verloor van Praag die avond. En de vliegangst? Daar ben ik helemaal van genezen.

vrijdag 13 juli 2007

Toeristen, terroristen

Wells, Engeland, zomer 2006.
Overal waar ik op deze reis kom, aarzel ik om mijn spullen achter te laten. Altijd hangt er wel een onheilspellend bordje met ‘Thieves operate in this area’, of iets van die strekking. Ook hier in Wells, een braaf Engels stadje dat zijn middeleeuwse ambities om uit te groeien tot metropool nooit heeft waargemaakt.
Het interieur van de beroemde kathedraal had ik bijna moeten missen. Dankzij drie lieve dames heb ik daarstraks toch binnen een kijkje kunnen nemen. Het ‘incident’ waarvan zij getuige waren, illustreert maar weer eens hoe doodsbenauwd dit land is sinds de terroristische aanslagen in Londen van een paar maanden geleden.
Mijn fiets had ik bij aankomst tegen de muur van de kathedraal geparkeerd, alle bagage er nog op. Ik kon immers moeilijk al slepend met fietstassen mijn toeristische rondgang door het heiligdom doen. Maar toen ik opkeek en weer zo’n onvermijdelijk bordje zag, aarzelde ik toch weer. Was het wel veilig? De ‘thieves’ konden mijn nieuwe regenbroek wel jatten, of erger, mijn zadel.
Op dat moment zag ik de dames; ze kwamen al pratend in de richting van het portaal waarin ik stond. Alle drie droegen een degelijke, zomerse bloemetjesjurk. Hun haar zat in stevig gelakte grijze krullen op hun hoofden. Ze bewogen zich doelgericht voort alsof ze hier thuishoorden. Ik besloot deze lokale experts om raad te vragen. Dames, wat denkt u? Kan ik mijn fiets met bagage hier laten staan terwijl ik de kathedraal bezichtig?
‘O nee, nooit doen!’ Hun reactie was ronduit geestdriftig. Ze waren ook niet van hier, mind you, maar van een bezoekend koor, dus de situatie hier kenden ze ook niet precies, maar wel dat alles wat je onbeheerd achterliet onherroepelijk gestolen werd. Vreselijk, maar waar. Bij een van hen was onlangs nog een handtas uit de auto verdwenen. Maar ze wilden best even op mijn fiets passen, dan kon ik in de kathedraal gaan vragen waar de stalling was.
De eerste guide die ik binnen tegenkwam – een strak in het pak zittende oudere heer – keurde me amper een blik waardig. Kennelijk beviel mijn aanblik – fietsbroek, blote benen en wilde haardos – hem niet. ‘Zoiets hebben wij niet. Ik kan u niet helpen.’ Hij zei het verbeten, alsof ik hem persoonlijk gegriefd had. Hij wendde zich al af, maar ik bleef hem volgen, ontevreden met zijn antwoord. Toen hij merkte dat ik niet vanzelf verdween, schuifelde hij naar een vrouwelijke collega, nauwelijks minder bejaard, en legde haar mijn probleem voor. Tot mijn verbazing kwam ze geagiteerd op me af en riep: ‘Geen sprake van! Die fiets mag zelfs niet tegen de muur leunen.’ O jee, ik was dus al in overtreding. Ik liep maar gauw weer naar buiten, waar mijn drie musketiers trouw op me stonden te wachten. De vrouwelijke guide kwam me als een terriër achterna. ‘Dit kán dus niet,’ riep ze zodra ze mijn fiets tegen haar kostbare kathedraal zag staan. De dames keken verbouwereerd.
‘Erg jammer, hoor,’ zei ik, mijn teleurstelling uitvergrotend, ‘dat een fietser hier nergens terecht kan. En ik kom nog wel helemaal uit Nederland.’
De dames schudden meelevend hun grijze hoofden, maar de guide was niet te vermurwen.
‘Bij jullie is het anders allemaal begonnen,’ sneerde ze.
‘Is wat begonnen?’informeerde ik, want ik had geen idee wat ze bedoelde.
‘Nou, dat met die…’
Ik veronderstelde dat we het nog steeds hadden over de gevaren van diefstal, dus ik hielp haar met: ‘U bedoelt drugsverslaafden?’ In de omgeving had ik inderdaad wat vage types zien rondscharrelen; alcoholisten waarschijnlijk. Die behoren in iedere Britse stad, hoe bescheiden ook, tot het straatmeubilair.
‘Nee! Die… die…’ Het duurde even voor ze het woord gevonden had. ‘Die terroristen.’ Ze spoog het uit.
Nu was ik degene die verbouwereerd keek. Bij ons begonnen? Het terrorisme? Had ik iets gemist?
‘Ik begrijp eerlijk gezegd niet wat u bedoelt,’ begon ik.
‘Bij jullie was die eerste aanslag op een trein.’
Ik dacht: aanslag? trein? Nu had ik weliswaar al anderhalve week geen krant gelezen, dus misschien was er in die periode iets voorgevallen dat ik had gemist, maar dan nog begreep ik haar niet. Het moslimterrorisme was toch al jaren terug begonnen? Ik zei: ‘Ik begrijp absoluut niet waar u het over hebt. Legt u alstublieft uit wat u bedoelt.’
‘Ach, het zal wel vóór jouw tijd geweest zijn. Dat ze bij jullie die trein hebben opgeblazen. Ik weet het niet meer precies.’
Bedoelde ze de treinkapingen van de jaren zeventig? De Molukkers? Ze kletst maar wat, realiseerde ik me opeens. Ze roept dingen als een kip zonder kop en beledigt daarbij ook nog eventjes mijn land. Met het fel oplaaiend vuur van patriottisme –­­ dat in mij doorgaans niet meer dan een zwak waakvlammetje is – zei ik dreigend: ‘Ik wil nu toch echt graag dat u uitlegt waar u het over hebt. Ik begin me behoorlijk beledigd te voelen.’ De koordames, die in een kringetje om ons heen stonden, keken verschrikt. O dear. Nu is de Hollandse dame boos.
De guide staarde me met grote ogen aan. Ik staarde uitdagend terug. Het begon kennelijk tot haar door te dringen dat ze zich in de nesten had gewerkt, want haar stem klonk maar half overtuigd toen ze ten slotte riep: ‘O, iets met Baader Meinhoff.’
Ha. Nu hing ze.
‘Mevrouw, die opereerden in Duitsland. Bovendien had dat niets, maar dan ook helemaal niets met het huidige moslimterrorisme van doen.’ Ik vond dat ik nog heel beheerst klonk. De dames knikten weer geestdriftig en maakten instemmende geluiden. De guide keek me met toegeknepen lippen aan, kennelijk met stomheid geslagen. Met genoegen zag ik dat haar bleke Engelse wangen opeens een gezonde blos vertoonden.
‘Weet je wat, dear,’ richtte de kleinste en rondste koordame zich tot mij, ‘wij zijn hier nog de hele dag en hoeven pas om half vijf te zingen. Het is heerlijk weer. Ik ga op dat bankje daar zitten, lekker in het zonnetje. Als jij je fiets daar nou naast zet, dan zal ík er graag op passen.’
Ik lachte haar dankbaar toe. Dat was nog eens aardig. De twee andere dames keken opgelucht. Zij wilden ook wel helpen oppassen.
‘Ga maar rustig alles bekijken, neem de tijd.’
‘Ik zing trouwens ook,’ deelde ik mee, om de band tussen ons nog wat aan te halen.
‘Dear, wat leuk. Ben je sopraan? Mezzo? Alt?’
We bewogen al babbelend in de richting van het bankje in de zon.
Nog één keer keek ik over mijn schouder. De guide was nergens meer te bekennen. Stilletjes afgedropen, als een dief in de nacht.

Romantisch

Het is een grijze zaterdagochtend in oktober. Als ik even op de fiets de stad in ga voor wat boodschappen, realiseer ik me al na een paar honderd meter dat ik te dun gekleed ben. Het is ronduit guur buiten en de wind waait dwars door mijn nylonjasje heen. Boven mijn hoofd hangen hoogzwangere wolken.
Pets! Een dikke regendruppel slaat koud op mijn wang. En nog een, en weer. Gelukkig, ik ben bijna bij de metro-ingang op het Weesperplein. Overwegend of ik daar alleen even zal schuilen of met de metro verder zal gaan, spring ik van mijn fiets en zet hem tegen de brugleuning. Terwijl ik met het fietsslot in de weer ben, hoor ik met zachte stem iemand roepen.
‘Meisje… meisje…’
Ik kijk om me heen, maar zie niemand. Dan hoor ik weer de lichte, hoge stem.
‘Méisje, hállo…’
Het geluid komt van de waterkant beneden. Ik tuur over de brugleuning. Daar, in een bootje dat in een hoek onder de brug ligt aangemeerd, staat een wat slungelige jongen van een jaar of twintig. Hij sjort aan een blauw zeil dat over de boot gespannen zit en kijkt ondertussen omhoog in mijn richting.
Riep hij mij? Ben ik dat ‘meisje’? Als hij ziet dat ik terugkijk, glimlacht hij naar me.
‘Meisje, mag ik jou om advies vragen?’
Ha, die snotneus noemt me meisje. Een meisje van bijna veertig, knaap, kijk uit je doppen, schamper ik in mezelf, maar stiekem toch gevleid.
‘Ja hoor,’ antwoord ik en leun wat verder over de brugleuning om hem beter te kunnen horen.
‘Wat denk jij, houden we het droog vandaag?’
Hallo, voel je die druppels niet? En al die donkere wolken… ben je blind of zo?
‘Nou, ha, ik denk het niet, nee.’
Even is het stil. Hij kijkt moeilijk, alsof ik hem met mijn weersvoorspelling van de regen in de drup heb geholpen.
‘Het zit namelijk zo, ik ga straks een vriend van me ophalen. Die vriend heeft heel erge ruzie met zijn vriendin en nu wil hij het goedmaken met een boottochtje. Lijkt jou dat een goed idee?’ Zijn vingers plukken aan het zeil.
‘Tja, als het gaat gieten niet, lijkt me.’
‘Nee, dat is waar.’ Het komt er beteuterd uit. Zijn schouders hangen.
‘Maar als hij dan eens samen met haar onder dat zeil gaat zitten... Dat is best romantisch,’ zeg ik vlug.
Hij veert op. ‘Ja, dát is een goed idee. Dank je wel.’
‘Graag gedaan. En succes ermee.’
‘Ja, heel erg bedankt hoor.’
We zwaaien naar elkaar.
‘Daag.’
‘Daag.’
Het is opgehouden met regenen. Misschien houden hij en zijn vriendinnetje het droog. Ik hoop het voor ze. Al zou een fikse bui ook kunnen helpen. Best romantisch.